Spruitjes hebben een slechte reputatie, vooral bij wie ze vroeger slap en te lang gekookt op het bord kreeg. Toch kunnen ze heerlijk zijn als je ze anders aanpakt. Gebakken, geroosterd of rauw geraspt krijgen ze een zoete, nootachtige smaak, en de bittere toets verdwijnt bijna volledig.
Roosteren in de oven
Verwijder het harde steeltje en de buitenste, verlepte blaadjes en halveer de spruitjes. Meng ze met olie, zout en peper en leg ze met de snijkant naar beneden op een bakplaat. Bak ze in een hete oven tot de onderkant donkerbruin en krokant is en de rest zacht. Ze mogen aan de randen gerust donker kleuren, want dat geeft smaak.
Vul het geheel aan met iets zoets of zouts. Een scheutje balsamicoazijn, honing of ahornsiroop na het bakken geeft glans en zoetheid. Geroosterde noten, gedroogde veenbessen of geraspte kaas zorgen voor contrast. Spekjes kunnen erbij, maar spruitjes zijn ook prima met gebakken ui en look.
Gebakken, geraspt en gestoofd
In de pan zijn spruitjes snel klaar. Snijd ze in dunne reepjes of rasp ze en bak ze kort in olie of boter, met wat look en een snuifje zout. Ze blijven dan knapperig en groen. Voeg gekookte kastanjes of gebakken champignons toe voor een winterse toets. Rauw geraspt zijn ze ook lekker in een salade met appel, noten en een frisse dressing.
Wil je spruitjes koken, doe het dan kort. Kook ze in een pan met kokend gezouten water tot ze net zacht zijn en giet ze meteen af. Te lang koken maakt ze bitter en slap en geeft een sterke geur. Serveer gekookte spruitjes met boter, nootmuskaat, gebakken ui of een romige saus. Een gratin met spruitjes, kaas en room is ook een heerlijk hoofdgerecht.
Koop spruitjes stevig, groen en gesloten, liefst aan de stronk. Bewaar ze koel in de groentelade van de koelkast en gebruik ze binnen een paar dagen. Ze zijn ook goed in te vriezen na kort blancheren. Spruitjes zijn een echte wintergroente, maar je vindt ze van in het najaar tot in het voorjaar. Als je ze een keer op een andere manier klaarmaakt, ontdek je misschien een nieuwe favoriet.