Een wok met veel soorten groenten

Landschapsillustratie

Een wok is een van de snelste manieren om veel groente op tafel te krijgen. Alles gaat in een paar handelingen door de pan, en de groenten blijven knapperig en kleurrijk. Met een goede saus en wat rijst of noedels heb je binnen korte tijd een complete maaltijd.

Snijden en volgorde

Het belangrijkste bij een wok is dat alles klaarligt voordat je begint. Snijd de groenten in gelijke stukken, zodat ze even snel gaar zijn: wortel in dunne plakjes, paprika in repen, broccoli in kleine roosjes, ui in halve ringen. Groenten die langer nodig hebben, gaan als eerste in de pan, de zachte groenten zoals paksoi en spinazie als laatste.

Verhit de pan tot hij echt heet is, voeg een scheut olie toe en roer de groenten snel om. Blijf ze in beweging houden, zodat ze aan de buitenkant kleur krijgen maar van binnen nog wat stevigheid hebben. Een wok werkt het best met een kleine hoeveelheid tegelijk. Is de pan te vol, dan gaat de groente stomen in plaats van bakken.

Saus en smaak

Voor de saus meng je sojasaus, een beetje honing of suiker, een scheutje rijstazijn of limoensap, geraspte gember en knoflook. Giet dit aan het eind over de groenten en laat het even doorkoken, zodat alles mooi glanst. Wil je het pikanter, voeg dan wat chilivlokken of sambal toe. Een handvol geroosterde pinda's of sesamzaad maakt het gerecht af.

Wat je in de wok doet, hangt af van wat je in huis hebt. Restjes groente uit de koelkast zijn ideaal. Kies uit spitskool, taugé, champignons, courgette, snijbonen, paksoi of bloemkool. Tofu, ei of cashewnoten maken de wok vullender, en verse kruiden zoals koriander of basilicum geven een frisse afsluiter. Op die manier is geen wok hetzelfde.

Serveer de wok direct, want warm smaakt hij het best. Rijst, noedels of een stuk brood maken hem compleet. Blijft er iets over, bewaar het dan afgedekt in de koelkast en verwarm het goed door voor je het eet. Met een wok van dit soort leer je om zonder recept te koken en steeds weer iets nieuws te proberen.